Henk Brat, Lexsigma Advocaten | March 26, 2015

Op 1 oktober 2012 is met veel reuring de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (de 'Flex Wet') in werking getreden. Deze wet heeft voor de besloten vennootschap (de 'BV') veel veranderingen met zich meegebracht die ook voor de overnamepraktijk van belang zijn.

Mijn ervaring is dat ruim 2 jaar na dato nog niet iedereen op de hoogte is van alle veranderingen. In deze bijdrage zet ik dan ook enkele belangrijke veranderingen op een rijtje.

1. Oprichting; kapitaal

In de Flex Wet is de minimaalkapitaal-eis van € 18.000 afgeschaft. Een BV kan nu simpel gezegd worden opgericht met slecht één aandeel van € 0,01. Ook zijn de verplichte bankverklaring en de accountantsverklaring bij storting op aandelen afgeschaft. Een BV kan daarom aanzienlijk sneller en goedkoper worden opgericht.

2. Stem- en winstrecht aandelen

Met invoering van de Flex Wet zijn twee nieuwe soorten aandelen geïntroduceerd; het stemrechtloze aandeel en het winstrechtloze aandeel. Meer vrijheid is hierdoor ontstaan om de structuur van de BV vorm te geven.

3. Algemene vergadering van aandeelhouders

Sinds de invoering van de Flex Wet spreekt men niet meer van de algemene vergadering van aandeelhouders (de AVA), maar van de algemene vergadering. Op deze manier wordt duidelijker dat er ook anderen dan aandeelhouders bij een algemene vergadering aanwezig kunnen zijn.

4. Benoeming bestuurders en/of commissarissen

Voor inwerkingtreding van de Flex Wet werden bestuurder en commissarissen benoemd door de algemene vergadering, eventueel uit een (bindende) voordracht van een aandeelhouder. Tegenwoordig kunnen de statuten echter bepalen dat bestuurders en/of commissarissen direct worden benoemd, geschorst en ontslagen door één specifieke soort van aandelen of door één aandeelhouder.

5. Dividenduitkeringen

In het kader van een bedrijfsovername kan het gewenst zijn een dividenduitkering te doen. Nog steeds is de algemene vergadering het orgaan dat beslist over het doen van uitkeringen. Nieuw is echter dat het besluit van de algemene vergadering pas gevolgen heeft indien het bestuur goedkeuring voor de uitkering heeft verleend nadat zij –kort gezegd- door middel van de zogenaamde uitkeringstest heeft vastgesteld dat dit verantwoord is. Deze goedkeuring mag het bestuur slechts weigeren indien het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de BV na de uitkering niet kan voldoen aan haar schuldeisers. Indien het bestuur goedkeuring verleent die op basis van de uitkeringstest geweigerd had moeten worden, zal het bestuur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het tekort ontstaan door de dividenduitkering.

Henk Brat, Lexsigma Advocaten

Henk Brat is partner bij Lexsigma Advocaten. Hij is gespecialiseerd in fusies en overnames, corporate litigation, ondernemingsrechtelijke structuren en commerciële contracten. Henk heeft een focus op de sectoren ICT, e-commerce en de Zorg.

artikel delen