Contracten worden vaak gemaakt onder de spanning van twee tegengestelde invloeden. Aan de ene kant zijn partijen, als ze in de fase zijn gekomen dat ze een contract willen sluiten, van plan om gezamenlijk tot een transactie te komen. Aan de andere kant hebben beide partijen vaak tegengestelde belangen. De taak van de advocaten is om deze spanning te overbruggen.
Een van de mogelijkheden is om de tegengestelde belangen onbesproken te laten of om deze niet al te duidelijk te adresseren. Hoewel dit wel de makkelijkste methode is, is het de vraag of partijen hier erg mee gediend zijn. Het zorgt ervoor dat wanneer er zich een conflict aandient er weinig houvast en daarmee weinig zekerheid is.
Een vruchtbaarder manier is meestal om de verschillende belangen met zoveel woorden ter sprake te brengen en om te kijken of er een daadwerkelijke oplossing denkbaar is. Dat geeft misschien wel frictie, maar het biedt de mogelijkheid voor het inbouwen van oplossingen. Wie de frictiekosten bij het aangaan van transacties zo veel mogelijk wil verlagen kan maar het beste zo duidelijk mogelijk zijn.
Een goed voorbeeld van hoe het niet moet is te vinden een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:8916).
Non-concurrentiebeding
Deze uitspraak gaat over de vraag of een voormalige aandeelhouder een non-concurrentiebeding schond. Dit non-concurrentiebeding stond in een aandeelhoudersovereenkomst uit 2013. In 2017 droeg een van de oorspronkelijke aandeelhouders haar aandelen over aan een zustervennootschap. Er werd wel een nieuwe aandeelhoudersovereenkomst gemaakt, maar deze werd niet getekend. In 2021 trad de natuurlijke persoon achter de andere aandeelhouder in dienst bij een concurrent. In de procedure beklaagden de vennootschap en de nieuwe aandeelhouder zich erover dat daarmee het non-concurrentiebeding overtreden werd.
De Rechtbank is snel klaar met deze vorderingen – van strijd met het non-concurrentiebeding is geen sprake. De nieuwe aandeelhouder is geen partij bij de aandeelhoudersovereenkomst uit 2013 en de aandeelhoudersovereenkomst uit 2017 is niet getekend. Er is dus geen contractuele basis voor de claim.
Ook de vennootschap heeft geen claim: het non-concurrentiebeding niet ten behoeve van haar geschreven: “In tegenstelling tot wat [Vennootschap B2] stelt, hebben [C] en [Vennootschap C] zich niet tegenover [Vennootschap A] verbonden om het non-concurrentiebeding na te komen. Een aandeelhoudersovereenkomst doet rechten en plichten tussen aandeelhouders ontstaan.” (r.o. 5.9, onderstreping toegevoegd).
Aandeelhoudersovereenkomst
Er valt over deze uitspraak een hoop te zeggen – wat is de rol van een niet-ondertekende overeenkomst? Wat is de rol van de vennootschap in een aandeelhoudersovereenkomst? Maar voor wat deze column betreft wordt de belangrijkste les kernachtig verwoord in de noot van J.A.M ter Berg: “de onenigheid over de uitleg van de [aandeelhoudersovereenkomst] vindt, denk ik, haar oorzaak in de nogal knullige wijze waarop deze overeenkomst lijkt te zijn geredigeerd … De overeenkomst had ook duidelijker kunnen zijn omtrent haar einde en de gevolgen daarvan.” (JOR 2026/2).
Bij een goede redactie van de overeenkomst hadden partijen zich de gang naar de rechter en alle bijkomende kosten kunnen besparen.
De Amerikaanse Opperrechter Oliver Wendell Holmes schreef in 1904 dat “hard cases make bad law”. We kunnen daaraan toevoegen dat “bad drafting makes high costs.” Het lijkt verleidelijk om confrontaties uit de weg te gaan, maar wie verstandig is zorgt ervoor dat een confrontatie in een vroeg stadium niet ontaardt in een (duur) conflict. Wie verstandig is, investeert daarom aan de voorkant van het proces in duidelijkheid. Dat is altijd goedkoper dan een conflict achteraf.